Tuin in beeld:  februari                                                                    home

  1. Welriekende Kamperfoelie, Lonicera frangrantissema.
  2. Oosters Nieskruid, Helleborus orientalis..
  3. Kleine Maagdenpalm, Vinca minor.
  4. Tonderkervel, Ferula communis.
  5. Takkensilhouet en detailopname van onze Ginkgo, Ginkgo biloba.
  6. Amerikaans Vergeet-me-nietje, Omphalodes verna.
  7.  
  8. Amaryllidaceae Galanthus nivalus, Sneeuwklokje
  9. Ranunculaceae Helleborus x Nigercors 'Silvermoon'
 

 

  1. Welriekende Kamperfoelie, Lonicera frangrantissema.



    Deze heester bloeit bijzonder vroeg, vaak al met enkele bloemen in januari. Maar in februari zitten de uitlopers aan het jonge hout vol met deze sierlijke witte bloemen. En wat ruiken ze lekker! Fragrans betekent ‘ geurig, welriekend’ en de overtreffende trap: fragrantissma is hier als soortnaam gebruikt – ‘zeer geurig, sterk en aangenaam riekend’. En daarmee is niets teveel gezegd. Krijg je eens de kans om je neus in zo’n bloem te steken: doen!

  2.  

  3. Oosters Nieskruid, Helleborus orientalis..

                           

    Altijd een mooi gezicht, de roze/paarse bloemen van deze oosterse vorm van de Kerstroos. En de bloemen blijven ook lang mooi – dat ligt niet zozeer aan de temperatuur, die in februari natuurlijk niet zo hoog is, maar aan het feit dat de roze ‘bloemblaadjes’ in werkelijkheid kelkblaadjes zijn. Kelkblaadjes lijken meer op gewone blaadjes en zijn een stuk steviger dan gewone ‘bloemblaadjes’, die in werkelijkheid kroonbladen heten. (In Botanisten-land dan natuurlijk.)

    Heeft deze plant geen kroonblaadjes? O, jawel: als je goed in de bloem kijkt zie je een heel gedrang van meeldraden, stamper en ook een soort groenige, vochtige plasjes in een pijpje – dat zijn de honingbakjes – door de evolutie omgebouwde kroonblaadjes. Een stevige bloem dus, en goed gevuld: de eerste insecten wordt zo een goed onderdak geboden.

 

  1. Kleine Maagdenpalm, Vinca minor.



    In een wirwar van nietbloeiende, kruipende stengels richten zich de korte, bloemdragende stengels op. Makkelijke tuinplant voor donkere hoekjes, wintergroen, kortom een goed alternatief voor Klimop of Pachysandra.
    Zo werd deze plant vaak aangeplant op de graven, speciaal die van jonge meisjes. Kleine Maagdenpalm is inheems in Midden- en Zuid-Europa, maar als makkelijk wortelende tuinplant is zij ook in noordelijker streken ingevoerd – waarschijnlijk alleen in Zuid Limburgse bossen inheems.
    Vrij zeldzaam dus en daarom beschermd. Iedere tuinier met deze plant in de tuin is dan ook strafbaar: je maakt niemand wijs dat je nooit eens een paar van die lange slierten, die overal kruipen en wortelschieten, hebt uitgerukt. Gelukkig bestaat er geen tuinpolitie.

 

  1. Tonderkervel, Ferula communis.



    Afkomstig uit het Middellandse Zee gebied en al een aantal jaren stand houdend in de Costerustuin. Misschien komt er zelfs ooit een bloemstengel aan, en dat moet spectaculair zijn: anderhalve meter hoog! Tot nu toe moeten we genoegen nemen met het mooie fijne blad dat in grote hoeveelheden al vroeg in het jaar boven de grond komt.
    Waarom heet een plant Tonderkervel?

    Tonder of tondel is het ouderwetse woord voor een lichtontvlambare stof die vroeger werd gebruikt om vuur te maken. Men slaat met een mes op een vuursteen, waarbij een vonk ontstaat. De vuursteen ligt op of naast de tonder, die door de vonk begint te smeulen. De vuursteen wordt weggehaald en dan legt men een paar strootjes of takjes op de tonder en blaast het smeulende hoopje tot een vuurtje. De stengels van deze plant zijn gevuld met merg dat goed dienst kan doen als tonder, omdat het makkelijk tot ontbranding te brengen is en goed doorsmeult.

    Volgens de griekse mythologie werd het vuur van de goden gestolen en naar de mensen gebracht door Prometheus, en wel in een stengel van de Tonderkervel.
    Het –kervel stukje van de naam slaat natuurlijk op het fijne, geveerde blad, kernmerkend voor de Schermbloemige familie, waartoe ook de Kervel behoort.

 

  1. Takkensilhouet en detailopname van onze Ginkgo, Ginkgo biloba.

               

    Nog voor het blad eraan zit, kun je goed zien dat deze boom een buitenbeentje is. De kale boom lijkt wel op een Larix, die andere bladverliezende naaldboom. Maar de knoppen van dichtbij lijken op geen andere plant of boom, ze hebben meer iets reptielachtigs. Afkomstig uit China en met een chinese naam: Ginkgo dat is afgeleid van yin kuo dat ‘zilveren vrucht’ betekent. De Ginkgo is tweehuizig, dwz dat er mannelijke en vrouwelijke bomen bestaan. De mannelijke bomen produceren stuifmeel dat de vrouwelijke bomen bevrucht via de lucht (windbestuivers).

    Onze boom is een vrouwelijke boom en produceert iedere herfst veel kleine op gladde abrikozen lijkende ‘vruchten’, eigenlijk de zaden met een pit. De vruchten hebben een ‘waas’ zoals pruimen. Vandaar het ‘zilveren vrucht’ idee?

    De gemeente Hilversum heeft een rijke collectie boomsoorten geplant, waaronder een aantal mannelijke Ginkgo’s, die ons exemplaar bestuiven. Over het algemeen worden aan de openbare weg geen vrouwelijke bomen geplant: de vruchtjes worden snel tot een vieze, stinkende brei getrapt of gereden.

 

  1. Amerikaans Vergeet-me-nietje, Omphalodes verna.



    Een plantje dat niet uit Amerika komt maar uit de oostelijke Alpen. De bloemen hebben een wit hart i.t.t. gewone Vergeet-me-nietjes die een geel hartje hebben. Het blad van deze twee planten is heel verschillend. De groeiomstandigheden zijn gelijk: humusrijk en redelijk beschaduwd. Omphalodes is de Latijnse transcriptie van het Griekse ‘omphalos’ dat navel betekent. Het slaat op de vorm van het zaad. (Toch eens nader bekijken, later in het seizoen.) Verna betekent ‘tot de lente behorend’ of ‘in de lente bloeiend’.

     


  2. Amaryllidaceae Galanthus nivalus, Sneeuwklokje

                           

     
  3. Ranunculaceae Helleborus x Nigercors 'Silvermoon'

                                       


  4.  




  5.